Nieuws

Commissie attesteringen vraagt grondige systeemwijziging

Steeds meer Vlaamse leerlingen belanden in het buitengewoon onderwijs, terwijl ook de vraag naar leersteun in gewone scholen blijft stijgen. Hoe leerlingen vandaag toegang krijgen tot het buitengewoon onderwijs en hoe dat systeem anders kan, was het uitgangspunt van een onafhankelijke commissie attesteringen. Op voordracht van NOOZO namen twee ervaringsdeskundigen deel aan deze commissie, samen met academici, onderwijsprofessionals en medewerkers van de beleidsdomeinen Welzijn en Onderwijs. De commissie bracht dit najaar advies uit aan de minister van Onderwijs. De boodschap is helder: het huidige systeem van attesteringen en types schiet tekort, en bijsturing volstaat niet. Alleen een grondige systeemwijziging keert de trend.

Te veel focus op labels en diagnoses

Volgens de commissie volstaan kleine aanpassingen niet meer. Vandaag hangen toegang tot ondersteuning en buitengewoon onderwijs sterk samen met diagnoses en types van onderwijs. Volgens de commissie botst dit systeem op verschillende grenzen.

De huidige criteria vertrekken vooral vanuit medische classificaties en stoornissen. Daardoor verschuift de aandacht snel naar wat een leerling “heeft”, in plaats van naar wat een schoolomgeving nodig heeft om leerlingen te laten deelnemen.

De commissie wijst erop dat leerlingen binnen dezelfde diagnosegroep sterk van elkaar verschillen. Veel kinderen hebben bovendien meerdere ondersteuningsnoden tegelijk. Die passen niet altijd binnen één type onderwijs.

De sterke focus op diagnoses leidt ook tot lange wachtlijsten voor onderzoek. Sommige scholen vragen een diagnose nog voor ze redelijke aanpassingen voorzien, ook wanneer dat wettelijk niet verplicht is. Daardoor wachten gezinnen soms lang op ondersteuning. Niet alle ouders hebben bovendien dezelfde toegang tot diagnostiek of hulpverlening.

Een sterke brede basis als uitgangspunt 

De commissie vertrekt vanuit het idee dat kwaliteitsvol inclusief onderwijs begint met een sterke brede basis.

Scholen moeten onderwijs organiseren dat voor zoveel mogelijk leerlingen werkt. Dat vraagt een kwaliteitsvolle pedagogische aanpak, hoge verwachtingen voor alle leerlingen, effectieve didactiek, goed klasmanagement en flexibele differentiatie in de klas.

Volgens de commissie is het problematisch dat scholen vandaag te snel grijpen naar individuele aanpassingen of aparte trajecten. Dat verhoogt de druk op leerkrachten en maakt het moeilijker om gemeenschappelijke doelen te bereiken.

Een inclusieve school moet daarom eerst inzetten op een sterke leeromgeving voor alle leerlingen. Redelijke aanpassingen blijven belangrijk en blijven een recht, maar ze mogen niet het enige antwoord zijn.

Aanpassingen en verbijzonderingen blijven mogelijk 

Voor sommige leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften blijven verbijzonderingen of aanpassingen in de leeromgeving of de aanpak noodzakelijk.

Het advies onderscheidt drie dimensies:

  1. Aanpassingen op school-, groeps- en individueel niveau;
  2. gemeenschappelijk of een individueel aangepast curriculum;
  3. specifiek onderwijsaanbod.

De commissie erkent dat sommige leerlingen extra ondersteuning nodig hebben. Daarom onderscheidt ze drie niveaus van aanpassingen.

Aanpassingen op schoolniveau komen alle leerlingen ten goede. Dat kan gaan over toegankelijke gebouwen, duidelijke structuur, rustige ruimtes of ondersteunde communicatie.

Op groepsniveau gaat het bijvoorbeeld over flexibele groeperingen, extra ondersteuning in de klas of aangepaste werkvormen.

Individuele aanpassingen blijven mogelijk voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Dat kan gaan over hulpmiddelen, aangepaste evaluaties, individuele ondersteuning of medische zorg.

Een gemeenschappelijk curriculum blijft het uitgangspunt

De commissie wil dat zoveel mogelijk leerlingen een gemeenschappelijk curriculum kunnen volgen. Dat biedt volgens haar de meeste kansen voor de toekomst.

Een individueel aangepast curriculum blijft mogelijk wanneer leerlingen, ondanks ondersteuning en aanpassingen, bepaalde leerdoelen niet kunnen halen.

Daarnaast blijft een specifiek onderwijsaanbod mogelijk voor leerlingen met zeer complexe en intensieve noden. De commissie benadrukt wel dat zo’n aanbod ook binnen scholen voor iedereen georganiseerd moet kunnen worden, zodat leerlingen zoveel mogelijk verbonden blijven met andere leerlingen en schoolactiviteiten.

Subsidiariteitsprincipe 

Volgens de commissie moet telkens gekeken worden welke maatregelen echt nodig zijn. Daarbij geldt het subsidiariteitsprincipe:

  • aanpassingen op school- en groepsniveau gaan voor op individuele maatregelen;
  • het gemeenschappelijk curriculum gaat voor op een individueel aangepast curriculum;
  • inclusieve klascontexten gaan voor op een specifiek onderwijsaanbod binnen scholen voor iedereen.

Meer samenwerking en expertise in scholen

Volgens de commissie vraagt inclusief onderwijs sterke multidisciplinaire schoolteams.

Naast leerkrachten moeten ook orthopedagogische, psychologische, sociale en (para)medische profielen betrokken zijn. Expertise uit gewoon onderwijs, buitengewoon onderwijs, leersteuncentra, CLB’s en pedagogische begeleidingsdiensten moet dichter bij de klaspraktijk worden georganiseerd.

Ook samenwerking met welzijn en gezondheidszorg blijft belangrijk. Sommige leerlingen hebben ondersteuning nodig die verder gaat dan onderwijs alleen.

Diagnostiek moet ondersteunend zijn, niet sturend 

De commissie vindt dat beeldvorming en diagnostiek belangrijk blijven, maar wel anders moeten ingezet worden.

Diagnostiek moet scholen helpen om onderwijs beter af te stemmen op de noden van leerlingen. Ze mag geen doel op zich worden.

Volgens de commissie moet handelingsgerichte diagnostiek centraal staan. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het kind, maar ook naar de context, de schoolomgeving en mogelijke oplossingen.

Leerlingen en ouders moeten actief betrokken worden bij dat proces. Hun ervaringen en inzichten zijn belangrijk voor beslissingen over ondersteuning en schoolloopbanen.

De commissie formuleert twintig aanbevelingen in vier clusters. 

  1. Een eerste groep aanbevelingen gaat over het vereenvoudigen of afschaffen van individuele attesteringen en verslagen (GC- en OV4-verslag) in pioniersscholen en later in alle scholen voor iedereen. Als voorwaarde stelt de commissie dat deze scholen beschikken over een inclusief beleidsplan en een multidisciplinair team.
  2. Een tweede groep bevat aanbevelingen en maatregelen in de overgangsperiode om de huidige regels voor toegang tot buitengewoon onderwijs in alle scholen aan te passen. Die moeten de uitstroom naar het buitengewoon onderwijs afremmen en het aantal heroriënteringen of niet-passende oriënteringen te verminderen. Maatregelen moeten betekenisvol zijn. Ze mogen niet louter om cijfers gaan. Alle maatregelen moeten passen binnen scholen voor iedereen. Ze mogen kinderen niet benadelen door toegang tot buitengewoon onderwijs te beperken zonder alternatieven.
  3. Een derde groep focust op nieuwe instrumenten voor inclusief schoolbeleid, zoals zelfevaluaties voor scholen en een nieuw systeem om onderwijsbehoeften in kaart te brengen. Daarvoor stelt de commissie de ontwikkeling van een gestandaardiseerd instrument voor dat modulair geïntegreerd is in een breder intersectoraal inschalingsinstrument. De toegang tot een specifiek onderwijsaanbod moet gebaseerd zijn op de aard, intensiteit en complexiteit van onderwijsbehoeften, en niet langer op diagnoses/stoornisclassificaties.
  4. De vierde groep gaat over de bredere organisatie en beleidscontext. Daarin staan voorstellen over financiering, professionalisering, samenwerking tussen sectoren en mobiliteit die nodig zijn bij de evolutie naar scholen voor iedereen. Elke school zou een basisfinanciering krijgen op basis van aantal leerlingen en specifieke leerling- en schoolkenmerken. Daarnaast wordt er een aanvullend financieringssysteem voorzien voor leerlingen met zware en complexe noden. De commissie stelt de ontwikkeling voor van een intersectoraal digitaal platform voor gegevensdeling en een inschalingsinstrument om ondersteuningsnoden op het vlak van mobiliteit in kaart te brengen.

Volgens de commissie kunnen alle aanbevelingen tussen 2026 en 2029 worden opgestart of uitgevoerd. Sommige maatregelen vragen wel een langere implementatietijd.

Lees het volledige advies:

Advies Commissie Attesteringen.pdf